Bericht van de regelnicht (2)



 

(lees hier deel 1)


En toen veranderde Swiebertje ineens in een elfje dat naar me wenkte en ik ging op haar ragfijne rugje zitten en we vlogen naar de tandarts die languit lag te snoepen in de stoel waar hij normaal gesproken zijn patiënten behandelde, en hij gaf me in mijn kaak een grote spuit en toen was het verhaaltje uit.

Neen, dit is een deus ex machina. Je mag niet zomaar een verandering invoegen die jou van pas komt, maar die op zichzelf volstrekt onaannemelijk is binnen de context van het verhaal. Terug naar de badkamer. Terug naar Swiebertje. 'We hebben niet veel tijd,' zegt hij. Niet veel tijd is een middel om spanning op te voeren.
'Wat gaan we doen?' vraag ik.
'Ik wil je ontmaagden, meisjen.' Swiebertje komt een stapje dichterbij. 'Het is volle maan. Nu is het nog helder, alle sterren en de maan aan de hemel, en ik houd van jou, maar om half twee, dan komen de buien en dan is het over. Kom, geef me je hand.'
Ik weiger. Ik zeg: 'Geen bloed.' Dat is ballast in dit verhaal. Of ik maagd ben of niet, is binnen het conflict van geen waarde. Het gaat om mijn gezwollen kaak rond mijn verse kunstgebit. En mijn gebroken pink. Ik moet me ontwikkelen. Ik moet anders het verhaal uit dan ik erin kwam, en bloed komt daarbij niet van pas.
'Geen bloed,' herhaal ik dus. Ik doe het goed.
'Herhaling,' zei Swiebertje, 'geeft de lezer houvast. Het is een goed techniekjen om het thema in een verhaal aan te duiden. Herhaling is motief.'

Half twee. Half twee is de code. Half twee: over zeventien minuten.
'Ik zal je van je gezwollen kaak verlossen,' zegt Swiebertje, en hij heft zijn vuist. Ik kan hem net ontwijken.
'Om je de waarheid te zeggen,' zegt Swieb, en zijn hand zakt in slow motion langs zijn lichaam omlaag, 'om je de waarheid te zeggen...'
Ik luister.
'... ben ik in mijn hooiberg nooit aan intimiteit toegekomen, en ook niet in de keuken van juffrouw Saar.'
Ik luister met nog meer toewijding. De keuken van juffrouw Saar, dat is symboliek. Dat is kunst. Dat is mooi.

'Juffrouw Saartje heb ik ooit geprobeerd te benaderen,' bekent Swieber, 'maar ze zette me de kom met pannenkoekenbeslag omgekeerd op mijn kop en vervolgens sloeg ze er zeven keer op met de deegroller. Daarop kwam Bromsnor binnen. Hij kende de code. Samen bedreven ze de liefde op het aanrecht, en ik kon er niets van zien, met die schaal voor mijn ogen. Enkel horen. Daar kreeg ik jeuk van. Enorme jeuk tussen mijn schouderbladen. Ik greep in het rond en zocht een hulpmiddel om te krabben. Ik vond iets, het leek me een vork; hij had een gat in de steel, en daarmee harkte ik over mijn rug.'

Ik smul. Een gat in een steel: wéér symboliek, en wat voor een!
'Dank je,' zeg ik, 'duizendmaal dank! Je hebt me aan een seksscène geholpen, Swieb - seks sells, dat is geen regel, maar een wet, een natuurwet! - én je hebt me voorzien van een raamvertelling. Een raamvertelling is ook geen regel, absoluut niet, maar het staat niet slecht in een verhaal.'
Wat voel ik me trots. Ik kan twee verhalen in één vertellen. En het ik-perspectief klopt nog steeds. Daarbij ben ik vertellend ik en belevend ik tegelijkertijd. Ook de tijd klopt: onvoltooid tegenwoordige tijd. Zo vertelt het belevend ik.

Punt na punt, jongen! Punt na punt scoor ik met de regels voor het schrijven van een goed verhaal. Nu nog een climax. Het toppunt van inzicht, en dan de ommekeer, actie, besluit. Slot.
Ik kijk in de badkamerspiegel. Het moet. De spiegel staat voor zelfreflectie. Zonder zelfreflectie geen inzicht; zonder inzicht geen ommekeer.
Ik heb zelfs dubbele reflectie, zie ik: ook die spiegel die ik in mijn mond gestoken had om mijn zwellingen te bekijken, geeft reflectie. Maar die spiegel is gebroken terwijl ik de code vroeg. In feite was het mijn ego. Er is geen code. Het was mijn ego dat brak. Mijn ego dat de code wilde kraken, de regels voor het schrijven van een goed verhaal.

Maar Swiebertje is een zwerver. Hij leeft volgens eigen regels. 'Half twee.' Waarom zei hij dat? Wat bedoelde hij? Half twee is een beetje één en een beetje twee; een beetje van de theorie en een beetje van Swieb. Een beetje regels en ze een beetje ontduiken.
Nu ik dit zie, heb ik de gezwollenheid van mijn kaak niet meer nodig - ook niet in mijn verhaal. Zelfs het kunstgebit is ballast. Ik heb mijn eigen tanden.
Alles zal nu afnemen. Ook de volle maan. Zelfs het verhaal. Zelfs ikzelf.

'Swieb,' zeg ik. 'Swieb?'
Geen antwoord. Ik draai me om. Langzaam, want ik voel het einde naderen. Mijn muze is vervlogen. Ik ben weer alleen met het haakje voor de handdoeken waaraan gewoon een handdoek hangt, zoals daar altijd een handdoek hangt. De jaloezieën voor het raam zijn gesloten, zoals ze 's nachts altijd gesloten zijn. Het raam is dicht. Ik voel met mijn tong door mijn mond. Alles in orde. Geen zwellingen. Geen kunstgebit.
'Mijn pink?' Mijn pink voelt prima. Niets aan de hand.
'Half twee is voorbij,' zeg ik. 'Ik heb naar mijn mankementen gekeken en ik heb geleerd ermee om te gaan. Hoe? Door de regels te ontdekken, ze toe te passen en er een eigen inhoud aan te geven - en nu heb ik een verhaal geschreven.'


N.B.

De serie Swiebertje, overigens - geschreven door John van den Bogard en als televisiefilm uitgebracht door de NCRV - is erg leerzaam en vermakelijk om eens aandachtig te bekijken en te ontleden op verhaalelementen. Deze elementen kunnen uitstekend dienen als inspiratie voor je eigen verhaal, bijvoorbeeld:

'Swiebertje laat zich niet kisten': http://www.youtube.com/watch?v=V5VgYPXw8BQ