Bericht van de regelnicht (1)



 


Ik moest eens een goed verhaal verzinnen, meende ik - een, waarbij ik alle regels toepas die ik ken over het schrijven van een verhaal. Om te beginnen, zegt de theorie, moet ik een conflict uitdokteren. Welk? Een innerlijk conflict, denk ik, dat is het sterkst, want ik heb geleerd dat het beste conflict uit het personage zelf voortkomt.

Het personage moet ik ook door en door kennen; laat ik dan mezelf nemen, wie ken ik beter dan mezelf? Maar ik mag alleen die eigenschappen van mezelf gebruiken die in het verhaal van pas komen; de rest is ballast. Dus wel die opgezwollen kaak, rondom mijn verse kunstgebit, maar niet mijn gebroken pink, dat is overdone - tenzij mijn conflict eruit bestaat dat ik altijd kans zie, mankementen te krijgen, en daarmee moet zien om te gaan. Het personage moet namelijk een ontwikkeling doormaken; het mag niet op dezelfde manier het verhaal uitgaan als het erin gekomen is.

Dus ik neem die gezwollen kaak, en een spiegel, en ik stel mezelf op in de badkamer, ik steek die spiegel in mijn mond en met mijn andere hand tik ik het lampje van mijn mobiele telefoon aan om mijn onderzoeksobject bij te lichten.

Op dit moment komt misschien de lezer in conflict: wil hij verder lezen? Of wordt het hem te onsmakelijk? Maar dit is nog niets. Ik heb het nog niet over mijn gebroken pink gehad. Ik brak mijn pinkje toen ik hem gisteren in het gaatje van de steel van de spaghettiopscheplepel stak waarmee ik tussen mijn schouderbladen wilde harken, omdat ik daar een kriebel had waar ik zonder hulpmiddel niet bij kon. En toen het goed ging, en ik van mijn jeuk verlost was, wilde ik de spaghettiopscheplepel in het badkamerkastje leggen, voor de volgende keer, maar bij het bukken en draaien tegelijkertijd bleef de lepel haken achter iets wat het haakje voor de handdoeken bleek te zijn, maar waaraan op dat moment geen handdoek hing omdat hij eraf gevallen was terwijl ik stond te krabben, en dat kon ik niet weten, omdat ik er met de rug naartoe gestaan had.

Nu is meteen het perspectief in orde: wat zich achter mij bevond, kon ik niet zien. Ook de focalisatie is goed: de beleving is geheel vanuit mij geschreven.

And yet heb ik geen verhaal. Stuwing. Ik moet nog stuwing hebben. Mijn verhaal moet ergens naartoe gaan. Het moet van erg naar erger gaan en dan nog erger. Het moet het allerergste worden dat mij met mijn gezwollen kaak en gebroken pink kan gebeuren.

En dat niet alleen. Er moet urgentie in. Er moet een spanning op mijn verhaal komen te staan die mij dwingt iets aan mijn onvolkomenheden te doen. Ik verzin een list. Een gezwollen kaak? Jeuk tussen de schouderbladen? Dat is niets! Ik moet Swiebertje tegenkomen! Mijn antagonist, mijn tegenspeler, mijn zwervende muze die mij van mijn mankementen afhelpt - of ze juist erger maakt waardoor mijn ontwikkeling nog sterker wordt.

Daar staat hij al. Op het platte dak, voor mijn badkamerraam en klopt tegen het venster. 'Laat me binnen!' smeekt hij. Ik trek de jaloezieën omhoog, open het raam op een kier en vraag de code.
Hij verstaat me niet. Het komt doordat ik de spiegel nog steeds in mijn mond heb. Snel trek ik hem eruit. Nu wordt het erg - nee, erger. De spiegel breekt. Het glas versplintert in mijn mond.
Ik draai me naar de wasbak en spuug de scherven uit. Het bloedt niet - dat is ballast in dit verhaal.
'Wat is de code!' gebied ik.
'Half twee, meisjen,' antwoordt Swieb gedwee.
'Klopt,' murmel ik. 'Kom erin. Kopjen koffie?'

Swiebertje klautert naar binnen. Zijn ingedeukte hoed zakt op één oor, en in zijn broek komt een scheur door de ruwe rand van de betonnen vensterbank, maar dat is niet erg. Dat hoort bij Swiebertje. Het zijn kenmerken van hem. Aan zijn hoed en de scheur in zijn broek herkent de lezer dit personage. Alles is oké.
'We hebben niet veel tijd,' zegt hij.
'Wat gaan we doen?' vraag ik.

Hiermee heb ik een cliffhanger ingevoegd, een trucje om spanning te creëren waarbij ik er vanuit ga dat de lezer het vervolg van mijn verhaal nu ook zal willen lezen - hij zal niet rusten voor hij weet wat Swiebertje en ik gaan doen. Zo houd ik hem aan mijn lippen - mijn pen - gekluisterd.

Lees hier het vervolg.