Het personage en zijn naam: een intuïtieve zoektocht

 
Ik stond laatst voor een poppenkraam, o, o, o!
Daar zag ik zo veel poppen staan, zo, zo, zo!

Voor een verhaal heb je een personage nodig. Wanneer ik naar een personage op zoek ben, gaat er soms een Oudhollands kinderliedje door mijn hoofd, zoals het bovenstaande; er zijn immers zo veel personages te bedenken, en hoe pik je nu die ene perfecte figuur eruit die precies zó past in je verhaal?

Als je daar moeite mee hebt, kan het een methode zijn om eens niets te bedenken; dat wil niet hetzelfde zeggen als niets doen. Doe wel iets. Zet de deur van je mind open - wijd open - en wanneer een personage bij je wil zijn, komt hij vanzelf. Zo kreeg ik laatst, in een herfstnacht vol storm en regen, bezoek van Hendrik Pinna. Het kwam goed van pas, want ik kon toch niet slapen.

Hendrik had iets knoestigs in zijn naam, dat voelde ik meteen. Het kwam door de d en de r zo direct na de n: ndr. Dat deed me knoestig aan, en de knoest zat bij Hendriks linkeroor. De schelp - pinna heet dat dingetje in het Latijn - zag er aan de bovenkant uit als een paprikawokkel, die halverwege het productieproces te veel rode paprika gekregen had en te weinig aardappelzetmeel. Daardoor had Hendriks pinna n draai gekregen - zie hier de ndr.

Iemand met een rechtsgedraaide wokkel als oorschelp verbaast zich veel en vaak, dat zag ik meteen, want Hendrik wreef zich, terwijl hij voor me stond, voortdurend over zijn pinna, de linker, en vroeg op bedachtzame wijze: 'Hè?', toen ik hem vroeg op mijn kussen plaats te nemen. Het was niet zomaar een 'Hè?', maar een 'Hè-hè?' met een loopje omhoog, een draaitje in zijn stem dat precies in de richting ging van de draai in zijn oor.

Toen hij bekomen was van zijn verbazing, was het eerste wat hij zei: 'Ik?', waarmee hij zijn naam compleet maakte.

He-ndr-ik. Pinna.

Zo - via de ontleding van zijn naam - presenteerde Hendrik zich aan mij, en zo werd hij een personage. Maar toen ik. Wat kon ik met hem? Welk verhaal drapeerde ik om hem heen?
Nadat we enigszins verlegen naar elkaar geglimlacht hadden (ik was een beetje verbaasd over zijn komst, moet ik bekennen), heb ik die nacht wat dingetjes uitgedacht over Hendrik, wat verhaalideetjes waarin hij een rol spelen kon. Hendrik als verslaafde aan loterijen. Hendrik als conducteur bij de Nederlandse Spoorwegen. Hendrik als exhibitionist - maar het vreemde was: wat ik ook bedacht, Hendrik ging aan het eind van het verhaal steevast dood. Hendrik Pinna was depressief en dat niet alleen; hij was ook suïcidaal.

Moet hij dat wokkeloor wel hebben, bedacht ik toen. Ik voelde dat hij het ervoer als een onoverkomelijk innerlijk conflict en waarschijnlijk wilde hij dat ik hem ervan genas. Daarom was hij natuurlijk bij mij gekomen! Een personage moet immers altijd het verhaal anders uitgaan dan hij erin gekomen is; en ík ben degene die daarmee bekend is! Ík ben de conflictbehandelaar. Dus Hendrik moest zonder wokkeloor het verhaal uit - volgens Hendrik. Maar niet dood, volgens mij. Zó erg is zo'n oor ook weer niet.

We gingen samen op zoek naar een compromis, maar bij het eerste ochtendlicht dat stroef door het slaapkamerraam naar binnen schoof, waren we er nog niet uit, en toen heb ik Hendrik in de poppenkraam gezet, bij de anderen die daar staan te wachten op hun plaatsje in een verhaal. Daarna ging ik op reis (naar Dromenland); dat hoort, want het oude kinderliedje eindigt niet voor niets zo:
 
De poppenkoopman ging op reis, de poppen raakten van de wijs.
Ze deden allemaal zó, ze deden allemaal zó, ze deden allemaal zó!

Stel dat Hendrik dan genoeg zó deed, hoopte ik, alleen of met de anderen, dan zou ik dat zien wanneer ik wakker werd, en ik zou het allemaal opschrijven. Dan had ik dezelfde dag nog een leuk verhaal, en Hendrik kon verder met zijn leven!

Ik zou zeggen: probeer het ook eens op deze manier. Wees gastvrij, laat je personages komen aanwaaien, maak een kraam voor ze, en laat de poppetjes dansen - wat me overigens weer doet denken aan een ander Oudhollands liedje … voor een ander personage …