RECENSIES JOHNNY MOOIWEER

 




Zo denkt een kind

NRC Handelsblad

Johnny heeft een vis gekocht. Het is geen vrolijke vis. De vis ligt op de bodem van de kom. Maar dood gaat hij niet. Johnny besluit dat hij met de vis kan praten. ‘Ik heb mijn mond net zo bewogen als hij deed, zodat hij het gemakkelijk begrijpen kon, de lippen naar voren getuit, en dan plop-geluidjes maken, heel zacht moet je dat doen, en dan moet je ondertussen denken aan wat je zeggen wilt, dan gaat het er vanzelf uit en dan weet de vis precies waar je het over hebt.’ Zo denkt een kind. En dat deze Johnny in het volgende hoofdstuk alweer bezeten is van iets heel anders, geld verdienen door andermans statiegeldflessen weg te brengen, komt al even authentiek over.


Johnny Mooiweer is het droogkomische debuut van Thérèse Major (...) een moeder van vier kinderen. Zij stuurde ineens een manuscript naar Querido. Dat moet een blijde verrassing geweest zijn voor de uitgeverij, want Major schrijft uitstekend. Haar Johnny doet denken aan Polleke van Guus Kuijer, al is Johnny een wat minder mondig en 'gewoner' kind dan zij.


Hij heeft een moeder, een vader en een broer, een vis en een vriendje. Hij woont in een buitenwijk van een kleine stad. Hij dicht niet en laat zich het leven overkomen. Hij leeft bij de dag. Net als Kuijer blijkt Thérèse Major in een kinderhoofd te kunnen kijken zonder sentimenteel of zoetig te worden. Kinderen en volwassenen communiceren in haar boek als normale, 'echte mensen. Hier ontbreekt ten enenmale de geforceerde joligheid waarin veel kinderboekenschrijvers nog altijd vervallen als ze kinderen en ouders laten praten. Een hele opluchting.


De hoofdstukken laten zich min of meer lezen als afzonderlijke verhaaltjes. In het eerste hoofdstuk, getiteld 'Lekker ver weg', besluit Johnny weg te gaan na een dag vol ontberingen.


Geen brood, geen wc-papier, geen handdoek en nou ook nog eens geen cornetto! Het klopte vangeen kanten. Wat had ik hier nog te zoeken!' Johnny pakt zijn zakgeld en stapt op zijn fiets. 'Waar zou ik naartoe gaan? (...) Ik kwam bij de stoplichten uit. Daarachter ligt de stad, met alle winkels. Maar ik mag van mijn moeder niet zomaar zonder reden de stad in (...) dus ik dacht: dan doe ik dat maar niet. Ik draaide mijn fiet som en reed terug onze wijk in.


De tweeslachtigheid van deze jongen, hij wil weglopen, maar nou ook weer niet al te erg zoekraken, al te lang wegblijven, is voor hemzelf volstrekt vanzelfsprekend.


Aan het eind van Johnny Mooiweer is Johnny iets stoerder geworden. Hij neemt, verkleed als Freddy Mercury van Queen, compleet met okselhaar, deel aan de playbackwedstrijd op school. Daarna vertrekt hij met zijn familie voor een vakantie naar Hongarije. Hopelijk komt er een vervolg op dit debuut en horen we nog meer over Johnny's grote, kleine avonturen.
Judith Eiselin

Snot snurken

De Standaard


“Ik was al de hele dag kwaad op mijn moeder. ’s Morgens was het brood op, dus toen moest ik van die vieze Brinta eten, en toen ik ’s middags op de wc zat, was er ook al geen wc-papier meer. Ik zat maar te rammelen aan het rolletje, maar er kwam niks vanaf. Toen ik keek, zag ik dat het leeg was. Maar ik moest het wel hebben. In de hele wc niks te vinden, dus ik stak mijn hoofd om de deur en riep mijn moeder. Ze gaf geen antwoord. Die zat natuurlijk lekker in de tuin te luieren.”
Na enkele zinnen voel ik al sympathie voor de tienjarige Johnny Mooiweer. Dat komt wellicht omdat hij zich meteen blootgeeft. Hij maakt je deelgenoot van zijn gevoelens en gedachten. Bijna vergeet je hier dat een volwassen auteur de pen hanteert. Zo’n keuze voor een ik-standpunt in een kinderboek is een hachelijke onderneming. De auteur heeft niemand om zich achter te verschuilen. Hij moet helemaal in de huid van een kind kruipen, hij moet denken, voelen en praten als een kind. Veel auteurs slagen er niet in om hun volwassen beleving weg te cijferen waardoor gedachten te abstract klinken en gesprekken te zwaar worden. Anderen doen zo bewust hun best om zich aan te passen dat hun woorden kinderachtig overkomen. In Johnny Mooiweer van Thérèse Major had ik van bij het begin het gevoel dat het goed zat.
Johnny’s verhaal klinkt heel vanzelfsprekend. Van filosofische bespiegelingen of navelstaarderij is geen sprake. Zijn filosofie is heel praktisch: hoe probeer ik uit elke situatie het meeste voordeel te halen. Met een vriend zet hij een plan op poten om snel wat bij te verdienen. Ze verzamelen statiegeldflessen. Omdat hun zoektocht in het park niet genoeg oplevert, voeren ze actie bij de bejaarden uit een tehuis. Ze maken er maar meteen een actie voor de mensen in de ontwikkelingslanden van.
Met zijn moeder probeert hij voortdurend te onderhandelen. Hij vindt dat ze te veel van zijn diensten profiteert, vanuit haar luie stoel dan nog. In een drukkerij ontmoet hij Koosje, een joodse vrouw: ‘Wat een fantastische vrouw, heel wat anders dan mijn moeder.’ Het zijn dergelijke flitsen die Johnny’s gedachtewereld zo echt maken. Ook zijn gevoelens zijn heel herkenbaar. Als zijn moeder aan het warenhuis staat te klungelen met rollen behangselpapier, schaamt hij zich dood. En als ze gek doet, weet hij zich geen houding te geven. Maar hoe woedend of gefrustreerd hij ook is, hij kent zijn grenzen. Als hij niet mee uit winkelen wil, zegt zijn moeder simpelweg: ‘Trek je jas aan.’ Waarop hij: ‘Dus ik moest wel.’ Ook hier merk je hoe de auteur zich helemaal wegcijferde: er staat geen woord te veel.

Over zijn ouders lost Johnny niet meer dan hij zelf wil. Dat ze van elkaar houden, zal je hem niet horen zeggen, maar het blijkt wel uit zijn observaties: hoe zijn vader nog een flesje wijn uit de kelder haalt, ook al heeft zijn vrouw al wat op; en hoe hij een kampeerwagen huurt om naar Hongarije, haar geboorteland te kunnen reizen. Hij geeft ook haarscherp weer hoe een ruzie tussen de twee ontstaat, én voorspelt wat er zal gebeuren: ‘Ze gaan straks toch wel samen koffiedrinken, dan begint ze er vast weer over, zo is ze.’ Deze details zijn zo sterk dat ze alle verdere verdieping van de relatie overbodig maken.
Johnny is zonder twijfel een praktische realist, maar toch is hij zijn kinderlijke fantasie niet kwijt. Met de vis die hij met eigen geld gekocht heeft, voert hij hele gesprekken die tegelijk grappig en vertederend zijn. Vooral zijn bezorgdheid is raak verwoord. Als hij denkt dat iemand hem bespiedt vanuit de tuin als hij oefent voor de playbackshow, tast hij werktuigelijk naar het pistool in zijn achterzak.
Johnny´s redeneringen volgen een eigen logica die volwassenen vaak verrast. Bij een bezoek aan zijn grootvader besluit hij: ‘Maar ik zou geen demente buitenlander willen wezen.’ Zonder medelijden, laat staan een of andere boodschap. Hij neemt zijn dementerende, Hongaarse grootvader zoals die is. Meestal is het bezoek best leuk, al moet hij toegeven dat er eigenlijk niets aan is, zo’n demente opa. ‘Ik zou liever hebben dat hij nog normaal was, dat ik ook wat aan hem had. Ik bedoel: niemand in mijn klas die een Hongaarse grootvader heeft, hoor. Maar wat heb ik eraan.’ Van vooroordelen heeft Johnny geen last. De joodse broer van Koosje ziet hij aan voor een Marokkaan. Hij voelt zich bij hem niet op zijn gemak, maar dat heeft vooral te maken met zijn kledij en zijn gedrag, wat opnieuw voor een merkwaardige redeneerkronkel zorgt: ‘Een Marokkaanse travi, ik weet niet zeker of dat wel kan, maar het leek er verdacht veel op.’
In het leven van Johnny Mooiweer gebeuren geen wereldschokkende dingen. Hij beleeft geen ‘spannende avonturen’ en pleegt geen ‘heldendaden’. Dat je toch meegesleept wordt in dit boek, heeft vooral te maken met de manier waarop Johnny vertelt. Anekdotes groeien in zijn bewoordingen uit tot een heel verhaal. Zijn woede omdat hij enkel een kinderijsje mag en geen Cornetto is de aanleiding voor een tocht vol ontmoetingen. Hij vertelt alles ook met een aanstekelijk enthousiasme. Zo hoor je hem ‘snot snurken’, zie je hem eten ‘van die vieze blikkensnert waar je een gigantisch gore strot van krijgt’ of ga je met de auto mee ‘een eindje knorren’.
Op het einde laat Johnny als verteller nog eens duidelijk voelen dat hij de touwtjes in handen heeft. Hoe open hij ook is, hij bepaalt uiteindelijk wat hij kwijt wil: ‘En toen gingen we op vakantie. En het werd leuk ook, al was het begin dan totaal niet leuk. Ik wil er wel wat over vertellen, maar niet nu. Een andere keer. Als ik er zin in heb.’
Jan van Coillie
 



Mooiweer

Zwolsche Courant

Soms zit het Johnny Mooiweer tegen en soms gaat alles vanzelf. Waar dat precies aan ligt, weet hij zelf ook niet. Lang denkt hij daar trouwens ook niet over na, daar gunt hij zich geen tijd voor. Geen wonder dat zijn moeder daar wel eens moe van wordt.

Jonhnny is tien jaar. Zijn vriendje heet B.B. Ze kunnen het prima met elkaar vinden. Samen richten ze een B.V. op om lege flessen in te zamelen voor een goed doel. Een deel van het goede doel zijn zij zelf. Dat lijkt hen logisch. Zij werken er immers zelf hard voor en zo kunnen ze snel rijk worden.
Het plannetje lukt niet echt. De meeste mensen waar ze lege flessen van vragen, zijn slimmer dan Johnny en zijn compagnon denken. En als dan ook nog een oude man gekke dingen met de jongens wil doen, is de aardigheid er snel af.
Meer succes heeft Johnny op de playbackshow van school. Hij imiteert Freddy Mercury van Queen. De buurvrouw helpt hem aan de juiste video en zijn broer geeft hem belangrijke tips. Moeder maakt zijn haar gitzwart en schminkt hem een snorretje. Johnny is de bink! Hijzelf vindt dat hij zeker de eerste prijs verdiend heeft. Dat lukt niet, die prijs gaat naar een meidengroep. Johnny krijgt de derde, toch ook nog een flinke beker.

Op een avond, onder het eten, kwam moeder met een gaaf idee. Zij wou wel weer eens naar haar familie in Hongarije. Johnny’s moeder is in Hongarije geboren, eigenlijk vindt hij dat wel interessant. Niemand in zijn klas heeft zo’n moeder, maar verder heb je daar ook niet veel aan, vindt Johnny. Dat verandert natuurlijk helemaal, nu ze naar aar vaderland wil met vakantie. Johnny en zijn broer zijn er meteen hartstikke voor om met zijn allen af te reizen naar de poesta’s. Vader blijkt minder enthousiast en dat is nog maar zacht uitgedrukt. Geen goede auto voor zo’n lange reis, vindt hij. Laten we het kampeerbusje lenen van oom Bouke uit Friesland, stelt Johnny’s broer voor. Een gouden idee, vindt Johnny. Ze mogen de bus gebruiken, maar wanneer ze alles ingepakt hebben en de volgende dag willen vertrekken, dreigt de hele reis toch nog mis te gaan. Het zit Johnny dan ook wel heel erg tegen. Maar dan komt vader met een geweldige oplossing en kunnen ze toch vertrekken naar Hongarije.

Thérèse Major vertelt in haar jeugdboek ‘Johnny Mooiweer’ een achttal min of meer verbonden verhaaltjes over haar inventieve hoofdfiguur, die graag alles meemaakt en vooral houdt van wat leven in de brouwerij. Als dat laatste niet altijd het geval is, dan zorgt Johnny daar graag zelf wel voor.

De belevenissen van Johnny zijn aan het alledaagse leven ontleend, zoals het kopen van een goudvis, een grootvader die dementeert, een moeilijke opdracht van school, een vakantie die dreigt mis te lopen en zakgeld verdienen op een handige manier.
Het boek van Major is prima te lezen en dat zit hem niet in de originaliteit van de gekozen thema’s. Het is vooral de humorvolle en onderkoelde toon die de schrijfster gebruikt. Johnny is moeilijk op de kast te krijgen. Bijna altijd weet hij wel een oplossing en vaak lijkt hij net zo verstandig als de grote mensen om hem heen. En dat maakt hem erg sympathiek.
Jan Loovers
 

Mooiweer

Reformatorisch Dagblad

Johnny Mooiweer (uit het gelijknamige boek van Thérèse Major) is geen bijster sympathiek figuurtje, vind ik. Ook hij heeft een eigenzinnige kijk op de mensen om zich heen en die is – zeker wat zijn Hongaarse moeder betreft – behoorlijk negatief. Uit woede, omdat zijn moeder hem servetjes geeft in plaats van normaal toiletpapier, trekt hij de wc niet door; hij loopt weg omdat hij een gewoon ijsje krijgt en niet een Cornetto zoals zijn moeder zit te eten; hij probeert met zijn vriendje lege flessen van bejaarden los te krijgen onder het mom dat het statiegeld ten goede komt aan ontwikkelingslanden; hij geeft iedereen – soms alleen maar in gedachten – allerlei vegen uit de pan. De enige waar hij goed voor is en waar hij echt contact mee denkt te hebben, is zijn goudvis, die hij zelf in een korzelige bui gekocht heeft. Het opwindendst in het boek is dat hij op zeer intensieve wijze deelneemt aan een playbackshow op school, en daar wint hij de derde (en niet de eerste) prijs mee.
Het verhaal is niet helemaal ongezellig om te lezen, het is zelfs vlot geschreven, maar de tekst wordt helaas te veel ontsierd door hele en halve vloeken.

Wat kinderen ervan zeggen
 


Prinses Julianaschool Lieren

Het was wel leuk om het hoofdstuk ‘wc-papier’ te lezen, want nu weet ik hoe ik een cornetto kan krijgen. Maar het was wat minder leuk in het begin want daar ontstaat een ruzie en daar hou ik niet van, maar dat hoofdstuk met de goudvis was ook wel leuk.
Lois groep 7/8

Het verhaal van de vis vond ik heel erg grappig. Je schrijft kleine dingetjes eigenlijk niet in een boek, u hebt dat wel gedaan, bijvoorbeeld bij dat stukje dat die vis de rode stukjes visvoer het lekkerst vindt. Alleen het stukje over snot vond ik heel vies.
Irene groep 7/8

Ik vind het heel knap dat u dingen die in de maatschappij echt gebeuren gewoon in een boek durft te zetten. Want soms worden er zware dingen besproken zoals opa die dement was geworden die in een inrichting zat of de bijna ontvoering en de ruzies thuis.
Marloes groep 7/8
Koningin Beatrixschool Meppel

Ik heb u boek gelezen. Het was een mooi boek. Wanneer komen de volgende boeken?
Nadia groep 5