Huisje, boompje, beetje voor de vluchteling



Eerste alinea 


Ik zat in de nachttrein naar het oosten, met mijn rug tegen de dunne muur van de coupé, een fris, wit laken van de Deutsche Bundesbahn tegen mijn kin en een grijze deken over mijn knieën. Het was ver na elven; het zou nog de hele nacht duren eer ik in Wenen aankwam, van waar ik verder zou reizen naar Bratislava om er kennis te maken met Jószefa Weintrager, mijn grootmoeder.

Niet dat ze nog leefde, al veertig jaar niet meer, maar ik had gehoord dat ze uit haar geboortestad Bratislava vertrokken was naar Boedapest, lang geleden, nog voor de Holocaust, nog voor 1914-1918, en ik wilde weten wie zij geweest was, want ik had een brief gekregen, een oude brief, meer dan een halve eeuw geleden geschreven door mijn vader, waarin hij de burgemeester van Giethoorn inlichtte over zijn geboorte als Hongaar, en hoe hij vanwege zijn ‘onzuivere ras’ tijdens de Tweede Wereldoorlog niet in het Hongaarse leger had mogen dienen, waardoor hij ten slotte in Giethoorn terechtgekomen was.

Na het lezen van die oude brief wilde ik zelf naar het oosten, want als ik uit een onzuiver ras geboren was, wilde ik weten wat voor ras dat was en welke mensen erbij hoorden, dan wist ik bij wie ik hoorde; iets wat me tijdens mijn jeugd nooit helemaal duidelijk geworden was. Ik ben weliswaar opgegroeid in een gezin, maar zonder familie.

Jószefa Weintrager, mijn grootmoeder. Ik proefde haar naam. Ik had er alle tijd voor, de nacht was lang. Het enige wat ik van haar gezien had, was een foto die ik ooit bij mijn neef András aan de muur van zijn woonkamer in Boedapest gezien had: een vrouw met een gladde, blanke huid, donker haar, heldere ogen en een klein glimlachje rond haar lippen. Een mond als die van mijn vader had zij, maar ook als die van mijn broer en mijn zoon, een mond als die van mij. Wij allen waren in een rechte lijn met elkaar verbonden, met de lijn der lippen.